AsiaIndiaBikaner

Op blote voeten door de rattenpoep en overal hakenkruizen.

Bikaner Travel Blog

 › entry 6 of 37 › view all entries

07:00 uur, we worden wakker door een geïnspireerd “Oe, wat is dat koud!!!” van Patricia, onze buurvrouw die onder de douche staat. We staan op en na een opwekkend ochtenddiareetje en het nodige inpakwerk verzamelen we bij de bus die ons om 07:45 naar het Heritage Resort zal brengen voor het (gratis) ontbijt. Vanavond zullen we in het veel luxere Heritage Resort overnachten.

Ik heb niet veel honger, maar prop drie bananen en wat havermoutpap naar binnen om mijn darmen wat tot rust te brengen.

Om 09:00 uur gaan we naar de bus die ons naar de Karni Mata Temple (Rattentempel) zal brengen, voor ik instap moet ik eerst nog even sanitair relaxen in de hoop dat ik zo de rit van 30 km (± 1 uur) kan uitzitten. Onderweg beginnen we ons door de grote droogte en vrij schaarse en dorre begroeiing echt te beseffen dat we aan de rand van de woestijn zitten.

 

Na een uurtje schudden over een redelijk goede weg met hier en daar een hobbel of drempel, komen we aan op het plein voor de Karni Mata in Deshnoke. Het plaatsje op zich stelt niet veel voor, maar is eigenlijk alleen bekend door de tempel die voor de heilig verklaarde ratten is opgericht (de ratten worden ook heden ten dage nog door een selecte groep Indiërs aanbeden).

We worden los gelaten en wie wil kan de tempel binnen gaan. We moeten wel eerst onze schoenen uit doen, want stel je voor dat je zo’n heilige pluizigert onder je maat 46 vermorzelt… We doen onze sokken ook maar uit, want we zijn bang dat we ze anders weg kunnen gooien. Als we onder de mooie toegangspoort door lopen moeten we 20 rupees betalen als we foto’s willen maken (voor een videocamera moet 50 rupees neergeteld worden). We staan nu op het buitenste ommuurde plein waar al enkele ratten vrolijk spelen. Om te voorkomen dat de bewoners als junkfood gaan dienen voor hongerige roofvogels is de hele tempel van boven afgeschermd met een net.

De toegangspoort tot het eigenlijke heiligdom is mooi versiert en erg de moeite waard om van dichtbij te bekijken. Als we onder deze poort door lopen moeten we 50 rupees entree betalen. Op deze binnenplaats dartelen de meeste ratten rond, sommigen spelen vrolijk, terwijl anderen op sterven na dood lijken te zijn. Volgens het bijgeloof brengt het geluk als er een rat over je voet loopt. Één rat ruikt aan Trudy’s teen, knabbelt er dan eens voorzichtig aan en besluit dan alleen over de desbetreffende teen te lopen en de rest van de voet links te laten liggen. De ratten trekken zich weinig aan van de nieuwsgierige mensen en ravotten lekker verder alsof ze alleen op de wereld zijn. Op een paar plaatsen in de tempel staan grote ronde schalen met lekkers voor de heilige stinkerds, de zoete gele kogels (die de mensen hier als dessert eten) en de verse melk zijn dan ook erg in trek Sint Rat en zijn vrienden.

In een donkere hoek zie ik het begin van een korte donkere gang, ik loop er een stukje in en er komt me een dikke rook tegemoet, na een korte blik in het kamertje aan het eind van de gang (waar enkele potten en pannen aan de muur hangen en waar een open vuurtje gestookt wordt) maak ik rechtsomkeert. Bij navraag blijkt het de keuken te zijn, ik heb maar niet gevraagd voor wie daar gekookt wordt.

In het hart van de tempel, in een kleine ruimte zitten twee mannen die een kleine ceremonie uitvoeren, ook hier komen de ratten weer niets tekort. Uiteraard is de gewone man ook welkom om in deze tempel te komen bidden, de enige voorwaarde is dat hij niet bang is voor smerige voeten (de ratten zijn alles behalve zindelijk).

Als we door een zijdeur naar buiten denken te lopen komen we bij de voedselvoorraad van de knagers uit, dit is een hoeveelheid graan waar een klein dorp een jaar lang brood van kan bakken. We staan nu weer in de buitenste ring van de tempel en hier staat het keukengerei waar tijdens het jaarlijkse festival eten in gekookt wordt voor het hele dorp, natuurlijk mogen de ratten hier de rest van het jaar lekker in spelen.

We gaan nu richting uitgang en kijken nog een laatste keer rond op het binnenplaatsje.

Als we weer buiten komen staan onze schoenen nog precies waar we ze neergezet hebben, voor we ze aan trekken maken we eerst onze voeten zo goed mogelijk schoon met een alcohol doekje. De man die voor de tempel staat bewaakt niet alleen de schoenen van de bezoekers, maar wijst mensen ook vriendelijk doch dringend terecht als ze hun schoen strikken op een muurtje dat bij de tempel hoort (zoals Trudy). Tijdens het schoenen strikken moet je ook nog eens goed opletten dat je niet onder vuur genomen wordt door de duiven die het boven op de toegangspoort prima naar hun zin lijken te hebben. We maken snel een paar foto’s van het uiterlijk van de tempel en moeten dan weer de bus in, want we vertrekken naar het centrum van Bikaner.

 

We worden gedropt bij de poort van het Junagarh fort, waar we in het zonnetje lekker even de benen strekken. In het fort hebben we een gids nodig, omdat het zo groot is en er zo veel te vertellen is. Er ontstaat een kleine discussie of we met de hele groep één gids zullen nemen of dat we opsplitsen in twee groepen. Trudy en ik zijn er voor om op te splitsen, omdat je anders de helft van het verhaal niet kunt verstaan omdat je te ver van de gids af staat. Bovendien kost zo’n gids hier geen drol (150 rupees per groep!!). Uiteindelijk gaan Trudy en ik met nog vier anderen op pad (Patricia, Marilyn, Ronald en Ineke). Hier vormt zich eigenlijk het groepje waar we de rest van de vakantie mee op zullen trekken.

De gids geeft heel uitgebreid uitleg en heeft een antwoord op al onze vragen en over het Engels van de man hebben we ook al niets te klagen. De rondleiding begint bij de poort waar we binnen gekomen zijn. In de zijkant van de poort zijn een aantal handen uitgehakt, dit is een overblijfsel van de rituele zelfverbranding door de vrouwen van de overleden maharadja’s werd gepleegd om in de dood samen te kunnen zijn met hun man (een minder romantische, maar ook zeer logische uitleg is dat de vrouwen van de maharadja na het sterven van hun man totaal geen sociale rechten meer hebben). De maharani plaatste eerst haar handafdruk met rode kleurstof op de stadspoort en nam dan met het lichaam van de dode maharadja in haar armen plaats op de brandstapel. Na haar dood werd haar handafdruk in de muur uitgehouwen.

Als we verder lopen komen we weer door een poort met daarin aan weerskanten een altaar/tempel. Het altaar aan de linkerkant is voor Ganesh (in de tempel staat ook een zilveren rat die door een stinkend rijke aanbidder is geschonken in de hoop dat hij nu meer geluk zou krijgen). Het altaar aan de rechterkant is voor de godin van de oorlog, Durga, voor de Rajput (de krijgers) ten strijde trokken baden ze altijd tot deze godin om om moed en kracht te vragen zodat ze als overwinnaars uit de strijd zouden komen.

In India is het de gewoonte dat man en vrouw gescheiden eten, onze gids is acht jaar getrouwd en heeft nog nooit samen met zijn vrouw gegeten.

Terwijl we door het fort lopen geeft onze gids antwoord op echt al onze vragen, het maakt hem niks uit of het over het fort gaat of over zijn eigen familie. Ook minder positieve zaken worden besproken, zo vertelt hij ook dat het in het nabije verleden gebeurde dat arme families hun zoon lieten trouwen met een meisje van een andere familie (en dus een bruidschat incasseerden), het meisje vervolgens in de keuken in brand staken onder het mom van een “huishoudelijk ongelukje” om dan zo lang te wachten met de dokter bellen dat het meisje zeker zou sterven. Dan kon de zoon des huizes opnieuw trouwen en weer een bruidschat opstrijken.

Een zoon in erg belangrijk in elke familie in India, een zoon is zó belangrijk dat als een echtpaar geen zonen krijgt men de jongere broer van de echtgenoot kan adopteren en aan kan nemen als een eigen zoon. De reden hiervoor is dat de oudste zoon bij de crematie van de vader diens schedel moet breken (als het lijk ongeveer een uur gebrand heeft) en die vol te gieten met een soort boter, zodat de geest het lichaam kan verlaten.

Tussen al deze verhalen door hebben we lekker de tijd om van mooie gebouwen te genieten die we waar we ook kijken tegen komen. Het fort bestaat uit meerdere paleizen die in verschillende periodes gebouwd zijn.

Iemand in ons groepje vraagt wat de hakenkruizen betekenen die we overal tegen komen. De gids vertelt dat die staan voor geluk en voorspoed, tevens zijn ze het symbool voor het Arische ras (de Indiërs stammen af van de Ariërs). Bij de Hindoe swastika staan de gekruiste lijnen voor de vier windrichtingen en de kleine pootjes staan met de klok mee. De vier puntjes in de Hindoe swastika staan voor de goden. De punt links boven staat voor staat voor Brahma, de god van de schepping (the god that Generates). Rechts boven staat voor Vishnu, de god van het behoud en onderhoud (the god that Organizes). Rechts onder staat voor Shiva, de god van de vernietiging (the god of Destruction). Links onder staat voor de stabiliteit van het geheel en de eeuwig durende cirkel hiervan (Stability). Samen vormen de vier eerste letters van de kernwoorden het woord GODS. Dit is allemaal vertaald uit het Sanskriet, maar het schijnt te kloppen volgens onze gids.

Hitler eigende zich het hakenkruis toe als zijn symbool in de hoop zo ook geluk te krijgen, maar hij zette de kleine pootjes tegen de richting van de klok in en dat bracht ongeluk en werd zijn ondergang (volgens onze gids tenminste).

We komen nu op een binnenplaats waar een paar bijzondere dingen te zien zijn:

Ten eerste vallen de balkonnetjes op die met houtsnijwerk zijn dichtgemaakt, hierachter zaten de vrouwen van de maharadja als er op de binnenplaats iets speciaals aan de hand was. De vrouwen mochten wel mee kijken, maar ze mochten zelf niet gezien worden. Later in de rondleiding hebben we zelf de kans om vanuit de balkonnetjes op de binnenplaats uit te kijken, maar de gaatjes in het snijwerk zijn zo klein dat je alleen recht vooruit kunt kijken, schuin naar rechts of naar links zie je geen steek.

Ten tweede zien we op het bovenste gedeelte van de achterste muur twee mozaïeken die de medailles voorstellen die de maharadja heeft gekregen omdat hij mee heeft gevochten met de Engelsen in een belangrijke veldslag.

We komen ook in een kamer die speciaal voor de maharadja is ingericht, je kunt wel zien dat het een ontzettend rijke stinkerd was.

We hebben al gehoord dat man en vrouw hier apart eten, als je die logica doortrekt dan zijn natuurlijk ook de koninklijke slaapvertrekken gescheiden. De maharadja ontving zijn vrouwen in zijn eigen kamer, die voorzien was van een bed met aan elke hoek een haak, zodat het bed opgehesen kon worden om er voor te zorgen dat het lekker schommelde als de maharadja stoute dingen wilde doen. Ook dit bed is zo laag dat er niemand onder kan gaan liggen om de maharadja naar de eeuwige jachtvelden te helpen.

De maharadja had ook een erg luxe schommelstoel die vlak bij zijn slaapkamer stond, hierin zat hij waarschijnlijk te bedenken met welke vrouw hij vanavond de koffer in zou duiken.

We komen nu op een hoger gelegen binnenplaatsje, van waar uit we een mooi overzicht hebben over de binnenhof van het fort. We zien van een afstand één van de poorten die ervoor dienen om een aanval met olifanten af te weren, deze poorten zijn voorzien van metalen punten, zodat een olifant zijn kop open haalt als hij de poort probeert open te duwen.

In een andere hoek van de binnenhof zien we de gevangenis, de gevangenen mogen hier niet klagen, want ze hebben een mooi uitzicht op de tuin.

Onze gids is zo aardig om een foto te maken van ons groepje, zodat we niet zullen vergeten met wie we ook alweer weken opgetrokken hebben.

Op een laatste foto die vanuit een raam genomen is kun je zien dat rondom het fort de gewone mensen hun huisjes gebouwd hebben.

De laatste fase van de rondleiding is de audiëntiezaal, hier ontving de maharadja zijn onderdanen op bepaalde tijden als ze vragen of klachten hadden. In deze zaal staan nu een aantal vervoermiddelen die de koninklijke familie in gebruik heeft gehad en één van de twee dubbeldekkers die de maharadja van de Engelsen kreeg als dank voor het mee vechten in WO I en WO II. Het is wel jammer dat de zaal zo slecht verlicht is, sommige dingen zijn vrij slecht te zien.

 

Na het fort gaan we per Tuk tuk naar het atelier van de schilder die het schilderwerk van het fort gerestaureerd heeft. Zijn specialiteit is klein schilderen, hij heeft eens een op 7,5 bij 10 cm een boom geschilderd met 17618 bladeren. Zijn werk is leuk om te zien, maar niet interessant genoeg om te kopen, dus blijven we er niet al te lang hangen. We hebben honger gekregen en gaan per Tuk tuk, natuurlijk moeten we handelen om de prijs te drukken, naar restaurant Amber waar we even wat eten. Het eten was oké, maar de toiletten waren volgens de dames ontzettend ranzig.

Van hier uit lopen we de stad in en genieten van het drukke straatbeeld. We komen bij een bazaar, die we in lopen om een en ander eens rustig te bekijken. Hier lopen we Gerrit tegen het lijf die alleen op pad is, hij vindt dit ook wel leuk en loopt met ons mee. De steegjes zijn behoorlijk smal en soms is het dringen om er door te kunnen. Hier zien we nog echte oude ambachten zoals het verven van katoen. De ongekleurde stof word in een pot met kokend water gedoopt waar uit de losse pols kleurstof aan toegevoegd word, wonder boven wonder worden de stoffen uiteindelijk allemaal precies zoals het kleurstaal. Dat dit werk niet zonder risico is kunnen we zien aan de jongen die dit aan het doen is, want zijn armen zitten onder de littekens die veroorzaakt zijn door het hete water. De kraampjes zijn hier zowat op elkaar gestapeld, iedereen wil hier zijn handelswaar aan de man brengen, met name geweven stoffen zijn populair. Even later komen we in een steegje waar alle kleermakers bij elkaar zitten. We lopen nog een rondje en komen nog een keer langs de stoffenververs en de kleermakers. Ineke koopt nog een paar handgemaakte schoenen voor (omgerekend) f7,50.

 

We lopen nu richting Kota Gate, dit is een poort die uitkomt op een druk kruispunt waar het een geharrewar is van kamelen, voetgangers en brommers. Bij Kota Gate raken we in gesprek met een Indiër die zegt een gids te zijn die samen werkt met Baobab en Djoser. De man heeft een erg vlotte babbel en zegt dat hij ons de échte bazaar, de Havelli’s en de Jain tempel wil laten zien. Hij wil geen prijs afspreken en als ik daar op aandring zegt hij “No price, just tip”. Hij wil dus alleen een fooi als we klaar zijn met de tour. Hij zegt dat het vijf tot tien minuten lopen is naar de bazaar en dat vinden we wel te doen, dus gaan we op pad. We lopen een hele tijd met hem mee en op een gegeven moment zien we een klein jongetje met zijn blote kontje boven een rioolput zitten poepen, moeders staat een paar meter bij hem vandaan aan de kant van de weg te kijken. Als Patricia een paar foto’s maakt, maakt de moeder snel duidelijk dat ze hier helemaal niet van gediend is.

We maken nog een paar foto’s van het Indische leven, maar het duurt nu wel erg lang voor we iets te zien krijgen dat ons belooft is. Ik vraag aan de gids hoe ver het nog is voor we bij de Havelli’s zijn (die zijn volgens hem het dichtst bij) en hij zegt dat we er bijna zijn. Uiteindelijk komen we dan toch bij de oude handelshuizen en ze zijn erg mooi om te zien, aan sommige van hen is wel twintig jaar gewerkt. De dames in ons groepje vertrouwen de man niet meer omdat hij ons steeds verder mee het centrum uit neemt en ons naar rustigere en smallere steegjes leidt. Het is intussen 17:30 (om 18:00 uur is het hier donker) en we besluiten de tour niet verder af te maken, de man heeft te gladde praatjes en liegt te vaak over afstanden (“Yes, almost there!!). Als we dit tegen hem zeggen wil hij geld zien, maar omdat er geen prijs afgesproken is en we niet te zien gekregen hebben wat ons beloofd is geven we de man een 20 rupees voor de moeite. Hij vindt de fooi die we hem geven belachelijk en wil meer hebben, maar ja, dan had hij van te voren maar een prijs moeten noemen. We draaien om en lopen op eigen houtje terug tot we bij een groepje Tuk Tuks komen. We willen nog internetten vlak bij restaurant Amber en dan terug naar het hotel. De mannen willen ons wel brengen, maar vragen 300 rupees per Tuk tuk. Dat doen we dus nooit! Na even pingelen zakken ze al naar 100 rupees per karretje, maar dit is nog steeds te veel. We bieden 70 rupees, dat vinden de heren chauffeurs weer te weinig, dus gaan wij nog een stukje wandelen. Al heel snel komen de mannen achter ons aan en de uiteindelijke prijs wordt gesteld op 80 rupees (dit is inclusief een uur op ons wachten terwijl wij aan het internetten zijn).

We gaan dus even een mailtje naar het thuisfront sturen (dit kost 30 rupees per uur), de verbinding is niet snel, maar wat wil je voor dat geld.

Als het uur voorbij is staan de chauffeurs nog braaf op ons te wachten en ze brengen ons door een donkere stad naar ons hotel. We geven de mannen uiteindelijk 10 rupees fooi voor de goede service.

We frissen ons even op en schuiven dan aan bij de rest van de groep die al bij het zwembad zitten om lekker buiten te eten. Ondanks dat we bijna niet kunnen zien wat we eten, omdat er maar een paar kaarsjes op de tafel staan, hebben we toch veel lol. Om kwart over tien gaan we weer naar onze kamer (omdat het tergend lang duurde voor er eens eindelijk afgerekend kon worden). Trudy duikt eerst onder de douche en ze is al onder zeil als ik onder de douche uit kom. Ik ga nog even schrijven en ga om 00:30 slapen.

 

’s Nachts heb ik nog een gevecht met de wc, omdat het kreng niet wil stoppen met doorspoelen, maar gelukkig houdt het ding naar een paar minuten toch zijn klep dicht…


Join TravBuddy to leave comments, meet new friends and share travel tips!
Bikaner
photo by: skippyed