Het schip der woestijn.

Jaisalmer Travel Blog

 › entry 9 of 37 › view all entries

Om 07:15 is het tijd om op te staan, het is vandaag de dag van de kamelensafari. We pakken onze spullen (Trudy en ik nemen ook slaapzakken mee, ondanks dat gezegd is dat dat niet echt nodig is) en gaan dan ontbijten. De spullen die we niet meenemen op safari hebben we bij Wim op de kamer gezet, zodat de rest van de kamers vannacht voor andere gasten gebruikt kan worden. Om 09:15 wordt er verzameld in de lobby. Trudy mag een lichte blouse met lange mouwen lenen van Hans van Gulik, omdat ze zelf niks duns met lange mouwen bij zich heeft.

We worden met zeven mensen in een jeep gepropt die veel te klein is, want ik moet helemaal voorover gaan zitten omdat ik anders met mijn kop tegen een metalen buis aan zit. Zo worden we als varkentjes op weg naar een slachthuis naar het beginpunt van de safari gereden.

Als we komen waar we zijn moeten liggen onze kamelen (het zijn eigenlijk dromedarissen, maar iedereen noemt ze voor het gemak kamelen) al te wachten. Sommigen zijn mooi opgetuigd met kralenkettingen om de nek, anderen hebben alleen de gekleurde dekens die als zadel moeten dienen. Als ik het spul zo van een afstandje bekijk doet het me een beetje aan de NS denken, want onze kamelenmachinisten hebben allemaal hetzelfde uniformpje aan.

We mogen min of meer kiezen welke kameel we willen, als er gevraagd wordt wie een grote sterke kameel wil zijn er weinig liefhebbers, dus klim ik maar op het beest. Trudy wil een lieve kameel en als je hem bekijkt kun je zien dat ze gekregen heeft wat ze wilde. Het drijvertje van Trudy’s kameel is nog maar twaalf jaar oud en moet door de week nog naar school. Ondertussen is een muzikant aan komen lopen die op twee fluiten tegelijk speelt, helaas ben ik de enige van de groep die hem niet gehoord of gezien heeft.

Als iedereen op zo’n koolvretend mormel is gaan zitten wordt het teken van vertrek gegeven. Je weet niet wat je overkomt als een kameel opstaat als je erop zit. Eerst gaat hij op zijn voorste knieën liggen, zodat je bij je drijver (die achter je zit) op schoot komt te zitten. Dan strekt hij zijn achterpoten, zodat het lijkt dat je er voorover vanaf duikt. En dan pas strekt hij zijn voorpoten, zodat het geheel weer enigszins waterpas komt hangen. Nu pas blijkt dat ik ook echt op de grootste kameel zit, want ik steek boven iedereen uit.

In het begin sjokken we op een rustig tempo en kunnen we nog rustig rond kijken, hoewel je erg aan de specifieke beweging van het beest moet wennen en onze touringcar comfortabeler zit. Hans van Gulik zit als een koning op zijn troon en de glimlach is niet van zijn gezicht te krijgen. Als onze drijvers vinden dat we gewend zijn aan het zitten op een kameel, vinden ze het wel leuk om ons een beetje door elkaar te klutsen en laten de kamelen een stukje draven. Je stuitert dan leuk over het zadel op en neer, want je kunt je met geen mogelijkheid fatsoenlijk vast houden. De stijgbeugels zijn ook al niet zo geweldig en bovendien heeft mijn drijver liever dat ik ze niet gebruik, omdat ik dan met mijn schoenen tegen het lijf van de kameel schuur. Af en toe gebruik ik ze toch om de druk op mijn geplaagde zitvlees wat te verzachten.

Mijn drijver zegt dat zijn kameel de snelste is en dat hij ook aan kamelenraces doet. Als de drijver van Monica ons probeert in te halen voegt hij de daad bij het woord en geeft zijn kameel de sporen. Het beest zet een flinke sprint in en plotseling hang ik meer boven het zadel dan dat ik er op zit. Af en toe klap ik even hard neer om meteen weer gelanceerd te worden. Na ongeveer een uur hebben we de eerste welkome stop waar een jeep op ons staat te wachten met kratjes fris op het dak (gelukkig wel gekoeld in ijs). Het is de bedoeling dat we zelf zorgen dat ons eigen drijvertje ook niet uit droogt. Ik heb wel een beetje honger en wil een banaan opeten, maar als ik die uit mijn heuptas haal is er niet veel meer van over. Hij is behoorlijk geplet en gekneusd door al mijn gestuiter tijdens de kamelenrit. Als ik alle drek, zo goed en zo kwaad als dat gaat in de woestijn, van de rest van mijn spullen verwijdert heb, laat ik mijn banaan voor wat hij is en stap weer op mijn kameel.

Vaak wordt gedacht dat een woestijn bestaat uit alleen maar zandduinen, maar dit is niet zo, de plantengroei is weliswaar schaars, maar er groeit bijna altijd wel iets. We zien maar een klein stukje dat uit zandduinen bestaat, en hier rijden we slingerend door heen, omdat we er anders binnen twee minuten weer uit zijn. We rijden een half uur tot aan de volgende drink-stop. Dan is het nog een uur tot aan de lunch-stop. Gelukkig hebben Trudy en ik een waterzak bij, zodat we tussentijds ook nog wat kunnen drinken. We zijn ook erg blij dat we gisteren in de stad onze “vreemdelingenlegioenpetjes” hebben gekocht voor een paar rupees, want de zon begint behoorlijk te bakken.

Het laatste stuk naar de lunch beginnen we onze billen goed te voelen en het is dan ook helemaal niet erg om een uurtje van onze natuurlijke vrachtwagens af te mogen. De uitlaatgassen die ze produceren zijn weliswaar biologisch, maar stinken erger dan benzine of diesel, de lucht die ze opboeren en de scheten die ze laten hebben zo’n doordringende koollucht dat ik die mijn leven lang niet zal vergeten.

Even voor de lunch komen we bij een stukje woestijn dat je normaliter altijd in films ziet: zandduinen. Het is echt maar een klein stukje, zodat we ons na een paar minuten al weer realiseren dat we in India zijn en niet meespelen in Lawrence of Arabia.

Net voor de stop komen we bij een bassin waar de kamelen wat drinken, het moet wel lekker water zijn, want de lokale bevolking drinkt het ook. De mensen stellen het niet op prijs dat we foto’s maken, dus doen we dat ook niet.

Het is alweer een uur geleden dat we van de kamelen af geweest zijn en alles begint behoorlijk gevoelig te worden, maar we komen nu aan bij de plek waar we zullen lunchen en we mogen dus even op eigen benen staan om onze achterwerken weer van wat zuurstofrijk bloed te voorzien. We lunchen in de schaduw van een eenzame boom, waar we zittend op de grond het eten geserveerd krijgen. De maaltijd is Indisch, maar niet slecht. Na het eten valt een flink gedeelte van de groep in slaap, zelf doezel ik ook even lekker weg. Als het weer tijd is om verder te gaan slaapt Trudy zo vast dat ze duizelig is als ze wakker wordt, gelukkig trekt dat snel weer weg.

Niet iedereen wil weer terug de kameel op en een zestal mensen gaat met de jeep verder. De echte stoere avonturiers gaan natuurlijk wel verder met het schip der woestijn. Het is nog zo’n anderhalf uur naar het kamp waar we overnachten. We zijn net op weg als onze kamelen een paar lekkere bosjes zien en plotseling gaat de handrem er op en duiken de koppen naar beneden, het is net alsof je er voorover vanaf duikt (net als bij het drinken trouwens), maar dat maakt de beesten niks uit. We doen het de laatste etappe rustig aan, pas als het kamp in zicht is zetten een aantal kamelen een eindsprint in. Mijn drijver had gelijk over zijn racekameel, want we bereiken als eerste het kamp.

Het kamp bestaat uit eenvoudige betonnen hutjes, maar bijna iedereen had tenten verwacht, dus is er niemand die klaagt. De drijvers willen weer naar huis, dus maken we nog even een paar foto’s van Trudy’s kameel en drijver en geven de mannen ieder 100 rupees fooi, wat het gangbare bedrag is.

We kunnen plaats nemen op een plaatsje bij het hoofdgebouwtje, waar we een vochtig koud doekje krijgen om het stof van onze gezichten te vegen.

Na een eerste en een tweede drankje zegt Wim dat er geen kamerindeling is gemaakt en opeens stormt iedereen op de hutjes af. Mijn achterwerk zegt dat ik niet mag rennen en dus doen wij het rustig aan. Er staan tien tweepersoons hutjes (en we zijn precies met zijn twintigen), dus is er ook helemaal geen reden om te rennen. Achteraf blijkt er één hutje op slot te zijn (opgeëist door een hoge pief van de politie en een bobo die iets met toerisme doet). Er staan wel puptentjes tussen de hutjes, maar die zijn zo klein dat ik er niet eens languit in kan liggen, dus besluiten Trudy en ik dat we onder de blote hemel gaan slapen. We zetten het tentje (waar twee man voor nodig is om de rits open en dicht te maken) aan de kant, halen alle dekens en matrasachtige dingen uit de andere tentjes en slaan ons kamp op. Hennie wil ook graag buiten slapen, maar durft dit niet goed alleen. Wij zeggen dat ze dan maar bij ons moet komen liggen, omdat ze misschien wel nooit meer de kans krijgt om in de woestijn onder de open sterrenhemel te slapen.

Tegen de tijd dat de zon onder gaat beklimmen we een zandduin naast het kamp om de zonsondergang te bekijken, Jannie is één van de personen die met ons mee gaan.

Als we weer in het kamp komen staat het eten zo ongeveer klaar. Ineke eet niet mee, want die ligt behoorlijk ziek op bed. De kok heeft een erg goede soep in elkaar geflanst, maar voor de rest is het Indische kost, daar hebben Trudy en ik helemaal geen zin in en dus eten we niet veel. We buurten nog even na, maar we maken het vandaag absoluut niet laat.

Om negen uur liggen we al in onze slaapzakken (met al onze kleren aan behalve sokken en schoenen) van de heldere sterrenhemel te genieten. De maan komt erg laat op vannacht, dus zijn de sterren extra goed te zien. De rest van de groep is nog behoorlijk luidruchtig aan het buurten en drinken, maar wij vallen na een half uurtje rustig in slaap.

In de loop van de nacht word ik wel een paar keer wakker, maar dit is helemaal niet erg, want het is een geweldige ervaring om in plaats van een plafond de oneindige sterrenhemel met daaraan Orion te zien. Op deze momenten besef je weer eens hoe nietig een mens eigenlijk is.


Join TravBuddy to leave comments, meet new friends and share travel tips!
Jaisalmer
photo by: lrecht